Non-profit kleurt grijs
Amper 35 procent van alle Belgische 55- tot 64-jarigen –461.000 op 1.300.000– is nog beroepsactief. Daarmee scoort ons land veruit de laagste activiteitsgraad voor 55-plussers in Europa. Ter vergelijking: het Europese gemiddelde ligt op 48 procent actieve 55-plussers en in koploper Zweden is dat zelfs 70 procent.
Een op de vijf
Uit de databanken van de federale overheidsdienst Economie blijkt dat ruim een op de vijf van de nog actieve 55-plussers het statuut van zelfstandige heeft. Dat is veel. Bij de dertigers en veertigers zijn de loontrekkende werknemers goed voor 86 procent van de beroepsactieve bevolking. Bij de vijftigers en zestigers is dat maar 76 procent.
De verklaring is eenvoudig: het zijn vooral de 55-plussers in loondienst die vroegtijdig de arbeidsmarkt verlaten (vóór de pensioenleeftijd van 65 jaar), terwijl de meeste zelfstandigen wel tot hun 65ste blijven doorwerken in hun eigen zaak.
‘Ouderen' zijn meer vertegenwoordigd
De aanwezigheid van ‘grijze' werknemers is ongelijk verdeeld over de verschillende economische sectoren. Een op de drie van alle werkende 55-plussers –bijna 160.000, of 34,1 procent van de leeftijdsgroep– is terug te vinden in de drie grote non-profitsectoren: de overheidsdiensten, de gezondheidszorg en het onderwijs. De ‘ouderen' zijn er duidelijk meer vertegenwoordigd dan de jongere leeftijdsgroepen.
Een kwart van de ‘grijze' werknemers is actief in de handel en de productie-industrie, maar daar ligt het aandeel van de 55-plussers verhoudingsgewijs een stuk lager dan dat van de jongere leeftijdsgroepen. Zo zijn deze twee sectoren goed voor 37 procent van alle werkende twintigers.
Relatief bekeken zijn er meer 55-plussers dan jongeren actief in de landbouw, transport en logistiek, in de wetenschappelijke (vrije) beroepen, en in de bank- en verzekeringsbedrijven. De jongeren zijn dominant in sectoren als bouw en horeca.
Bron: Standaard.biz aug 2010